Vaak zat mijn overgrootmoeder Lumme Anker in het kleine kamertje achter haar handaangedreven Singer. Hoewel ze al ruim in de tachtig was, bleef ze kleren naaien. Haar knieën werden langzaam minder en bij de afscheidskus moest ik oppassen niet op haar tenen te gaan staan. Getooid in de traditionele Urker klederdracht was bessien Lumme levende geschiedenis.
Ze werkte hard, zoals ze dat als dienstmeisje had gedaan. En ook in de jaren dat ze weduwe was en moeder van zeven kinderen. Ze verwachtte dat harde werken ook van anderen, zelfs van kinderen. Bij het naaien liet ze vaak spelden vallen. Ze was te oud om ze op te rapen. Dat was het werk van de achterkleinkinderen die op bezoek kwamen. Ik zocht de spelden al kruipend tussen de zilveren slakkensporen, een bekend probleem in oude vochtige huisjes.
In haar jonge jaren was bessien Lumme dienstmeisje geweest in de Amsterdamse Jodenbuurt. Veel Urker meisjes hadden zo’n baan. Je vertrok als jong meisje van een jaar of veertien naar de hoofdstad en ging bij een gezin inwonen. Je deed huishoudelijke taken en paste op de kinderen. De geringe verdiensten, een gulden of vijf per week, stuurde je naar Urk. Moeder kon met die bijdrage thuis de financiële eindjes aan elkaar knopen. Zelf kwam je als dienstmeisje maar twee keer per jaar op Urk: tien dagen met Kerst en tien dagen met Pinksteren.
Een foto uit die tijd toont haar samen met een Joods jongetje. In een levensbeschrijving in de lokale periodiek ‘Urker Volksleven’ staat zijn naam: Aron. Lumme had tot op hoge leeftijd verdriet over het jongetje. Al wist ze nooit precies wat er met hem was gebeurd en met de rest van het gezin.
Dit verhaal vertelt de geschiedenis van de familie Schiffmann en het lot van Aron.
De familie Schiffmann
Aron was ongeveer een jaar toen Lumme in 1927 bij zijn ouders kwam werken. Vader David Schiffmann was rond het einde van de Eerste Wereldoorlog als twintiger gevlucht uit Kiev in Oekraïne. Zijn vader en moeder waren in 1916 en 1918 gestorven. Als wees zocht hij eerst zijn toevlucht in Antwerpen, later verhuisde hij naar Amsterdam.
David startte in Amsterdam een kleermakersbedrijf. Regelmatig was hij op zoek naar stiksters en ander personeel om confectie te produceren. Schiffmann adverteerde hiervoor meestal in het socialistische dagblad ‘Het Volk’.
De Oekraïense Jood trouwde met de Amsterdamse Jodin Alida Schuitevoerder. Ze kregen drie kinderen: Aron (1926), Isaac (1928) en Frieda (1932). Veelal had de familie Schiffmann Duitse dienstmeisjes. Lumme was een uitzondering in die rij, maar was wel een dienstmeisje met veel ervaring.
Het gezin Schiffmann bestond uit de volgende personen:
David Schiffmann, geboren Kiev 19 januari 1895
Alida Schuitevoerder, geboren Amsterdam 17 juni 1889
Aron Schiffmann, geboren Amsterdam 5 maart 1926
Isaac Schiffmann, geboren Amsterdam 7 april 1928
Frieda Schiffmann, geboren Amsterdam 8 december 1932
Lumme diende gedurende tien jaren bij drie Amsterdams-Joodse gezinnen: de familie Neeter, de familie Van de Kar en de familie Schiffmann. Ze stond er op de markt, paste op kinderen en deed het huishouden. Met respect sprak ze later over haar Joodse werkgevers, met sommige raakte ze bevriend. Haar band met Aron was bijzonder. Alleen met hem staat ze op een foto. Ze vertelde later dat ze vaak met hem wandelde langs de Amsterdamse grachten.
De oorlog
Zo’n drie jaar diende Lumme bij de familie Schiffmann. In 1930 trouwde ze en ging weer op Urk wonen. Het is niet precies duidelijk hoe Lumme contact bleef houden met de Joodse gezinnen waar ze had gediend. In de familie wordt verteld dat ze tot in de oorlog bezoeken bracht in de Amsterdamse Jodenbuurt.
De Duitse bezetting betekende een steeds verdere inperking van de vrijheid van de Nederlandse Joden. Aan de andere kant ging het leven in eerste instantie gewoon door. Aron werd kleermaker, zijn broertje Isaac metaalarbeider. Frieda ging naar de lagere school, de Herman Elte-school. Ze leefden door, in de hoop dat alles goed zou komen. In 1941 deed Isaac nog aangifte bij de Amsterdamse politie van een gestolen fiets.


In datzelfde jaar kreeg Aron zijn persoonsbewijs, voorzien van een grote zwarte J. Een later werd de Jodenster verplicht. Op de klassenfoto van de derde klas van Frieda dragen alle kinderen een ster.
In februari 1942 kwam er een einde aan het huwelijk van David en Alida. David had overspel gepleegd en Alida vroeg de scheiding aan bij de arrondissementsrechtbank te Amsterdam. De rechtbank bepaalde dat Alida voorlopig in het huis aan de Ruyschstraat 46 mocht blijven wonen. De kinderen werden ook aan de zorgen van de moeder toevertrouwd. Voor David begon een reeks van korte verblijven op verschillende adressen. Alida kreeg gezelschap van haar zuster Roosje, die al enkele jaren weduwe was.
Vught
In januari 1943 werd Aron opgepakt. Na een kort verblijf in de Hollandse Schouwburg ging hij op transport naar Vught. Daar werd hij tewerk gesteld bij het buitencommando Moerdijk. Bij Moerdijk bouwden Joodse gevangenen aan versterkingen om een geallieerde aanval tegen te houden. Mogelijk kreeg Aron vanwege zijn beroep een plek in het kleermakerscommando, dat kleding voor de officieren moest maken.
In maart 1943 moesten zowel David als Alida naar Vught. De twee jongste kinderen, Isaac en Frieda, bleven in Amsterdam bij de familie Karmel. Samuel Karmel was ook kleermaker, van Russische komaf en eveneens woonachting in de Ruyschstraat. Toen ook de familie Karmel zich moest melden in Vught, vonden de kinderen een plekje bij een pensionhouder.
Op 24 mei vertrokken Alida en haar zus Roosje van Vught naar Westerbork. De volgende dag werden ze direct op transport gesteld naar Sobibor. Daar werden ze op 28 mei vermoord in de gaskamers.
Onwetend van het lot van hun moeder waren intussen op 26 mei ook Frieda en Isaac naar Vught gebracht. Lang verbleven ze daar niet. Op zaterdag 5 juni lazen de barakoudsten een proclamatie van de Duitsers voor. Alle kinderen moesten uit het kamp vertrekken. Het bericht leidde tot grote onrust en verdriet in het kamp.
Direct de volgende dag moesten alle kinderen van 0 tot 3 jaar vertrekken. Een dag later alle kinderen van 4 tot en met 16 jaar. Frieda (10) en Isaac (15) hoorden op 7 juni hun namen voorlezen tijdens het appel. Ze reisden nog dezelfde dag met hun vader David naar Westerbork. Veel kinderen gingen alleen met moeder op transport, omdat vader op de Moerdijk moest werken.
Op dinsdag 8 juni werden de kinderen uit Vught direct vanuit Westerbork gedeporteerd naar Sobibor. In de 46 goederenwagons werden meer dan 3000 Joden opgesloten: 613 mannen, 1350 vrouwen en 1051 kinderen tot 16 jaar. Onder de kinderen waren 55 baby’s. Op 11 juni kwamen ze in Sobibor aan. David, Frieda en Isaac werden daar direct vergast.
Aron
De geruchten over de zogenaamde kindertransporten zullen tot in Moerdijk doorgesijpeld zijn, waar Aron tewerkgesteld was. Hij was nu nog de enige overlevende van het gezin Schiffmann.
In september 1943 werd Aron overgeplaatst naar Venlo, waar Joodse gevangenen niet ontplofte bommen moesten verwijderen van een vliegveld. In oktober begon de laatste fase van de Jodenvervolging in Nederland. De door de Duitsers aangestelde rijkscommissaris Seyss-Inquart gaf per brief aan dat de Endlösung bijna gerealiseerd was. Nu waren ook de Joden aan de beurt die tot nu toe onmisbaar werden geacht voor de oorlogsindustrie. Op 18 oktober kwam Aron in Westerbork aan.
Hij verbleef in Westerbork tot 25 januari 1944. Toen vertrok het 84e transport vanuit dit doorgangskamp. De trein bestond uit 26 veewagons en had 948 mensen aan boord. Bij aankomst in Auschwitz vond selectie plaats. In totaal 689 Joden werden direct vermoord in de gaskamers.
Aron werd tewerkgesteld en kreeg kampnummer 173017 getatoeëerd. Aron kwam terecht in Monowitz, ook wel bekend als Buna. In dit werkkamp moesten de Joodse gevangen rubber produceren voor de Duitse firma IG-Farben.
Van Arons verblijf in Monowitz resten slechts enkele sporen. Het zijn de data van zijn opnames in het ziekenhuis: van 27 maart tot 14 april en van 19 juni tot 17 juli. Er zijn getuigen die verklaren dat men niet langer dan drie weken in het ziekenhuis mocht verblijven. Daarna was de gaskamer het onherroepelijke lot. Dergelijke selecties vonden regelmatig plaats. Wie niet (meer) geschikt was om te werken, werd vergast.
Na de oorlog is Arons sterfdatum administratief vastgesteld op 31 mei 1944. Uit de data van het ziekenhuisje van Monowitz blijkt dat hij in juli 1944 nog in leven was. Vast staat dat hij nooit terugkeerde. Zijn precieze lot blijft verborgen in de nevelen van de geschiedenis.

M’n bessien Lumme heeft het nooit precies geweten. Het verdriet was er, tot op hoge leeftijd, niet minder om. Als kind van een jaar of acht heb ik me het nooit gerealiseerd. Ik was druk met het zoeken van spelden tussen de zilveren slakkensporen.
Pas toen ik foto’s van haar huisje bestudeerde, viel me de menora op in de vensterbank. Het moet een stille herinnering zijn geweest aan haar tien jaren in Joods Amsterdam. Een soort eeuwige vlam voor de haar bekende slachtoffers van de Holocaust.
Lees ook: Eva van der Kar-Drukker (80) vermoord in Sobibor
Ontdek meer van A.J. Baarssen
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
Mooi om het verhaal in een nieuwe vorm te herlezen…blijft indrukwekkend.
LikeLike