Het mysterie van de erfenis van Friese Boutjen

Mijn bèbe (grootvader) Albert Koffeman vertelde vaak het verhaal van de erfenis van Friese Boutjen. Zijn overgrootmoeder Baukje Visser zou rond 1900 een flinke erfenis krijgen. Er bleek echter 1 lettertje aan te mankeren en Friese Boutjen keerde platzak en onverrichterzake terug naar Urk. Nooit werd duidelijk waarom de erfenis aan haar neus voorbij ging. Ik meen na meer dan honderd jaar een bevredigende oplossing voor dit raadsel gevonden te hebben.

Baukje Visser werd geboren op 25 mei 1828 in Lemmer. Ze trouwde in 1852 met de Urker Age Kramer en kwam op Urk wonen. Omdat ze uit Lemmer kwam, kreeg ze op Urk de naam ‘Friese Boutjen’. Friese Boutjen leefde op het eiland Urk in armoedige omstandigheden. Ze kon zich scherp uitspreken over vrome mensen met mooie woorden die geen daadwerkelijke hulp boden. Die woorden inspireerden mijn bèbe, haar achterkleinzoon, in zijn tijd als diaken in de kerk.

Rond het jaar 1900 moet er een brief gekomen zijn waarin aan Friese Boutjen een erfenis werd toegezegd. Ook bij haar zus Lupkje in Lemmer was zo’n brief bezorgd. Baukje en Lupkje waren de enige twee kinderen van Frans Visser en Kaatje de Leeuw uit Lemmer. De verwachtingen in Lemmer waren hooggespannen. De Lemsters rijmden: ‘Lupkje, die kan erven, zalig zal ze sterven, en dan krijgen we een groot fabriek, dan wordt heel de Lemmer riek!

Friese Boutjen was al over de zeventig toen ze begin jaren 1900 het eiland Urk verliet om haar erfenis te aanvaarden. Omdat het winter was, moest de oude vrouw ‘over schotsen en bonken’ naar Lemmer. Al spoedig keerde ze echter gedesillusioneerd terug: vanwege 1 verkeerd lettertje ging de hele erfenis niet door. Jarenlang is gespeculeerd over deze erfenis. Mogelijk zou het ene lettertje te maken met het verschil tussen Visser en Visscher. De erfenis zou van een spectaculaire omvang geweest zijn, die nog vele nazaten in rijkdom had kunnen laten leven. Soms speelde Amerika een rol in het verhaal: de erflater zou een naar de Verenigde Staten geëmigreerde verre neef of oud-oom zijn.

Vanwege 1 verkeerd lettertje ging de hele erfenis van Friese Boutjen niet door.

Gerrit Post, een dubbele neef van mijn bèbe, vertrouwde het verhaal in 2006 aan het papier toe. [1] In de lokale krant Het Urkerland wierp hij aan het slot van zijn artikel de volgende vragen op: Veel vragen blijven er over. Wie was dat rijke familielid? Waar is hij rijk geworden? Wie was die notaris? Meer dan honderd jaar lang zijn er diverse onderzoeken verricht, echter tevergeefs. Er hangt een geheimzinnige waas over dit verhaal.

Een opmerkelijke erfenis

Een verhaal over een bijzondere erfenis in 1904 doet die mist een beetje opklaren [2]:

Op 27 juli 1904 overleed in het Friese Sloten een oude zonderling. Zijn naam was Jentje Libbes Tjalma. De zonderling was nooit getrouwd geweest en had de leeftijd van vierentachtig jaar bereikt. Hij bezat een armoedige woning, een lapje grond en enkele oude tabaksdozen. De oude dozen bleken echter bankpapieren te bevatten met een totale waarde van 1860 gulden. De woning bracht 441 gulden op, het stuk grond 1011. De inboedel bleek nog 94 gulden waard. Het totaal te verdelen bedrag was dus minimaal zo’n 3400 gulden.

Jentje had geen testament nagelaten. Notaris Spannenburg uit Lemmer kreeg de edele taak om de stamboom van Jentje te reconstrueren, om zo alle erfgenamen te achterhalen. Dit was niet eenvoudig. De vader van Jentje was twee keer getrouwd geweest en had in totaal negen kinderen. Alleen Jentje was ongetrouwd gebleven. Zijn acht (half-)broers en -zussen hadden in totaal 43 kinderen gekregen. In totaal achterhaalde notaris Spannenburg 106 erfgenamen.

ddd_010321486_mpeg21_p005_image
Bericht in de Sumatra Post van 28-12-1904

Een krantenbericht uit 1905 meldt dat een zekere mevrouw Visser uit Den Haag het grootste deel van de erfenis kreeg: 1/16. Nazaten met het minste geluk konden rekenen op slechts 1/1536 van de erfenis. Een dergelijke verdeling maakt duidelijk dat het verdelen van de erfenis een enorm ingewikkelde puzzel was.

ddd_010732848_mpeg21_p005_image
Bericht uit het Nieuwsblad van Friesland, 08-02-1905

De bewuste mevrouw Visser uit Den Haag moet een dochter geweest zijn van Nieske Tjalma, een zusje van de oude Jentje. Nieske was geboren op 28 februari 1818 in het Friese Oosterzee, een dorpje in de buurt van Lemmer. Ze trouwde op 21 mei 1837 met de Lemster Jelle Jacobs Visser. Hierdoor ging ze Nieske Visser heten èn ging ze in Lemmer wonen. Na het overlijden van haar man was ze in 1860 naar Den Haag vertrokken, waar ze in 1900 overleed.

Een dochter van Nieske Visser-Tjalma, oorspronkelijk afkomstig uit Lemmer, had recht op een deel van de erfenis van haar oom Jentje Tjalma.

De lijnen komen bij elkaar

De man van Nieske Visser-Tjalma heette Jelle Visser (1809). Hij was een kleinzoon van Frans Visser (1737). De vader van Friese Boutjen heette ook Frans Visser en was een kleinzoon van, en vernoemd naar, Frans Visser (1737). Jelle Visser, de vader van de erfgename uit Den Haag, en Frans Visser, de vader van Friese Boutjen, waren dus neven.

Jelle Visser, de vader van de erfgename uit Den Haag, en Frans Visser, de vader van Friese Boutjen, waren dus neven.

Het zal voor notaris Spannenburg net zo moeilijk geweest zijn als voor ons om alle namen uit elkaar te houden. Hij moest op zoek naar dochters van een Visser uit Lemmer die met een Tjalma getrouwd was geweest. De directe familieleden waren zelf allemaal al overleden. Ik vermoed dat de notaris alle Vissers door elkaar heeft gehusseld en Baukje en Lupkje abusievelijk heeft aangezien voor dochters van Jelle Visser en Nieske Visser-Tjalma. Later heeft hij zijn fout ingezien en heeft hij Friese Boutjen en Lupkje moeten teleurstellen.

Zijn de vragen nu beantwoord?

Gerrit Post schreef: Veel vragen blijven er over. Wie was dat rijke familielid? Waar is hij rijk geworden? Wie was die notaris? Meer dan honderd jaar lang zijn er diverse onderzoeken verricht, echter tevergeefs. Er hangt een geheimzinnige waas over dit verhaal.

Het relatief rijke ‘familielid’ moet dus Jentje Tjalma geweest zijn, een zonderling met meer dan 1800 gulden aan waardepapieren in sigarendozen. De notaris was notaris Spannenburg uit Lemmer. Hij verwisselde twee neven Visser, waardoor Baukje en Lupkje een brief ontvingen met de aankondiging van een erfenis. De afwikkeling van de erfenis gebeurde tussen juli 1904 en februari 1905. Dit past bij het gegeven dat Friese Boutjen over de ijsschotsen naar Lemmer vertrok. Het enige verschil met de weergave van Gerrit Post is dat hij rept over een notaris in Leeuwarden, terwijl Spannenburg notaris in Lemmer was.

Notaris Spannenburg verwisselde twee neven Visser, waardoor Baukje en Lupkje een brief ontvingen met de aankondiging van een erfenis.

Bij een gelijke verdeling van de erfenis over alle erfgenamen zou de erfenis voor Friese Boutjen ongeveer 34 gulden geweest zijn. Ter vergelijking: in 1918 verdiende een vissersknecht op Urk ongeveer 835 gulden per jaar. De erfenis zou dan 0,5 weeksalaris geweest zijn. Achteraf dus ook geen bedrag om je heel erg druk over te maken.

Dat Amerika in de discussie betrokken werd, komt mogelijk doordat er erfgenamen in Amerika waren. Het Nieuwsblad van Friesland zocht in februari 1905 de verwantschappen van de gehele familie Tjalma uit. De krant concludeerde dat er van San Francisco tot Chicago en van Minnesota tot Iowa familieleden te vinden waren.

ddd_010732848_mpeg21_p005_image (1)
Nieuwsblad van Friesland, 08-02-1905

Blijft over de kwestie van het ene lettertje. Ik denk dat dit zo verklaard kan worden: in vroeger dagen werd de voornaam van je vader vaak gebruikt als tussennaam, een patroniem met een mooi woord. Friese Boutjen was een dochter van Frans Visser en heette dan voluit: Baukje Franzes Visser. Kort je dit af, dan heet ze Baukje F. Visser. Was ze een dochter geweest van neef Jelle, dan had ze Baukje J. Visser geheten. Als ze Baukje J. Visser had geheten, had ze van Jentje Tjalma geërfd.

Mijn oplossing voor het raadsel van de erfenis van Friese Boutjen is dus dat er een verwisseling plaats heeft gevonden van twee neven Visser uit Lemmer. Met deze oplossing is de mogelijk torenhoge erfenis helaas wel gereduceerd tot enkele tientallen guldens. Niettemin hebben we ons als familie al meer dan honderd jaar kostelijk met dit raadsel vermaakt. Dat is ook heel wat waard. En om het met woorden van mijn bèbe te zeggen: ik geef mijn oplossing graag voor beter.

Lees meer verhalen uit mijn familiegeschiedenis


Samenvatting:

De erfenis van Friese Boutjen ging rond 1900 niet door. De volgende zaken werden daarover verteld in de familie:

  • Het was een grote erfenis
  • Het zat vast op 1 lettertje
  • Het was rond 1900
  • Het was in de winter
  • Een zus uit Lemmer zou ook erven
  • Ze moest via Lemmer naar een notaris in Leeuwarden
  • Amerika speelt een rol in het verhaal

Mijn voorstel tot een oplossing van het mysterie:

  • Het ging om de erfenis van Jentje Tjalma
  • Deze erfenis werd afgewikkeld in de tweede helft van 1904, wat past in de (winter-)tijd
  • Het ging om een relatief klein bedrag (bij gelijke verdeling: 34 gulden)
  • De erfenis was o.a. voor een dochter van Jelle Visser uit Lemmer
  • Want Jelle Visser was getrouwd met Nieske Tjalma, een zus van Jentje
  • Jelle Visser was een neef van Frans Visser, de vader van Friese Boutjen
  • Notaris Spannenburg uit Lemmer heeft bij het reconstrueren van de stamboom van Jentje Tjalma deze twee neven verwisseld
  • De familie Tjalma was verspreid tot in Amerika, waardoor dit een onderdeel van het verhaal werd.
  • Het ene lettertje heeft betrekking op de tussenletter. Friese Boutjen heette Baukje F. Visser en niet Baukje J. Visser.
  • Een notaris in Leeuwarden is een foutje in de overlevering.

[1] Het artikel van Gerrit Post in het Urkerland is hier te vinden: een erfenis die niet doorging.

[2] Ik kwam op het spoor van dit verhaal via de genealogie van de familie Visser uit Lemmer op Spanvis.com: Jelle Jacobs Visser.


Ontdek meer van A.J. Baarssen

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

7 Comments

  1. In het verhaal binnen onze familie komt er ook een zwart frommes voor die miljoenen bezat, ik heb ergens op de zolder ook nog wat oude papieren van de notaris liggen, mijn bebe mocht hier ook graag mee bezig zijn.

    Geliked door 1 persoon

      1. Enige opheldering geeft een aangetrouwde kleinzoon van Lupkje Visser, de zus van friese Baukje. Het gaat over dochter Kaatje Spiekholt. In onze familie wordt ook nog het miljoenenpoortje in Haarlem genoemd dat van het geld betaald is. Hoe de familierelatie is met Catharina Olthoff blijft nog een raadsel. Baukje en Lupkje hadden ook nog een aantal halfbroers Riemersma. Hierbij de Lemmer variant.

        Tijdens het werk was oude Kaat aan het vertellen o.a. over de erfenis van tante Lup. Soms kwam Jacob De Rook ook wel eens naar die verhalen luisteren. Tante Kaatje zei dan wel eens tegen Jacob “jimme heit wie in mooien ien, om oude mensen voor de gek te houden”. De erfenis van tante Lup hield half Lemmer in de ban. Ouders beloofden hun kinderen een nieuwe fiets als de erfenis uitbetaald zou worden. Klaas De Rook, Jacob zijn vader, was de eerste Lemster die een fiets had.

        Op een keer zei De Rook “Ik weet dat een advocaat bezig is met een onderzoek naar de erfenis van tante Lup, hij woont in de stad Groningen”. Een aantal mensen, zo’n 20 man, gingen ’s morgens om 5 uur met de tram op naar Groningen. ’s Middags om 1 uur kwamen ze aan in Groningen, het openbaar vervoer was toen niet zoals nu. Je bent nu binnen 1 of 2 uur al in Groningen. Het adres van de advocaat werd uit de binnenzak gehaald.

        Ze zochten het adres op. Ze kwamen bij een huis met een voortuin en op het naamplaatje van het huis stond “comiek en complet zanger” in plaats van advocaat. Toen ze ’s avonds laat weer terug kwamen en naar Klaas De Rook gingen, durfde hij de deur niet te openen. Hij is toen 7 weken onder water geweest, durfde niet buiten te komen, want anders hadden ze hem in de haven gegooid.

        Op een keer zijn ze ook nog naar Haarlem geweest met wel 50 man, grootvader ook mee. Daar hebben ze een advocaat gezien op het podium, maar waren zo weer weg. Die oude mensen zeiden: “hier staat nu dat grote gebouw van ons geld. Met grote letters stond op de gevel “Pieter Tyler van der Hulst” Ze zijn toen maar weer naar Lemmer gegaan.

        Ja nog even over Kaatje Spiekholt. Ouwe Kaat was een vrolijk vrouwtje. Ze zong de hele dag. Eén versje zong ze vaak “tante Lup zal sterven en dan kan de hele familie erven. Ze krijgt een sniefabrik en dan wordt de hele Lemmer ryk”  Of moeder wanneer is het Paas, dan ga ik met vader varen”. Dansen met Jacob de Rook van “hup zoete grotte brei en ik zal dei wol kreie”. Prachtig was het toen, zoiets zie je nu niet meer.

        Like

  2. De Lemstervariant over de erfenis komt uit de levensgeschiedenis van Jan Visser. Jan Visser was getrouwd met Luppie, kleindochter van Geesje Spiekholt de zus van Kaat Spiekholt. Beiden dochters van Lupkje Visser de zus van Baukje Visser.

    lemmer/verhalen-van-en-over-oud-lemsters/levensgeschiedenis-van-jan-visser-1

    Eind negentiende eeuw was heel Nederland in de ban van de erfenis van Pieter Teyler van der Hulst. Het zou gaan om een bedrag van 60-70 miljoen gulden. De kranten stonden er vol van. In zijn testament had hij bepaald dat 100 jaar na zijn dood drie kisten met heel veel waarde erin geopende mochten worden en aan de nakomelingen van zijn moederskant verdeeld mocht worden. Een nichtje was Catharina Olthoff die direct na zijn overlijden al een flink bedrag gekregen heeft. Tot 1957 zijn er procedures aangespannen over die drie kisten die spoorloos verdwenen zijn. Pieter Teyler van der Hulst had zijn kapitaal ook in Friese obligaties.

    In Haarlem is het Teylermuseum dat in 1884 een flinke verbouwing heeft gehad.

    In het voorgeslacht van Baukje en Lupkje komt een zekere Catharina Oldenhof voor. Het zogenaamde ene lettertje kan zijn dat friese Baukje in het bevolkingsregister van Urk als Baukje Visser stond ingeschreven, terwijl haar geboorteakte melding maakt van Baukjen.

    Like

Geef een reactie op A.J. Baarssen Reactie annuleren