‘Kousen en sokken, met alle maten!’ Vrolijk schalt de stem van Lumme Anker over de Amsterdamse Nieuwmarkt. Als dienstmeisje van dertien jaar neemt ze regelmatig de plek van haar Joodse mevrouw achter de marktkraam in. Uiteindelijk werkt Lumme ongeveer een jaar voor de familie Neeter. Het gehele gezin wordt tijdens de Holocaust vermoord.
Veel Urker meisjes dienen in de jaren voor de oorlog in Joods Amsterdam. Hun verdiensten dragen bij aan het gezinsinkomen van de vissersfamilies op Urk. Lumme Anker vertrekt in oktober 1920 op 13-jarige leeftijd naar Amsterdam. Ze komt terecht bij het echtpaar Neeter aan de Koningsstraat 44, op een steenworp van de Nieuwmarkt. Het dienstmeisje begint met een loon van vier gulden per week. Rond Kerst krijgt Lumme er 50 cent bij. Haar werkzaamheden breiden uit. In januari bevalt mevrouw Rijntje Neeter-Goudsmit van een zoontje.
Het jongetje krijgt de naam Eliazer. Zijn vader Joseph Emanuel is diamantbewerker, maar krijgt juist in deze tijd ontslag. Samen met zijn vrouw begint hij een marktkraam in kousen en sokken. Tijdens de werktijden van het echtpaar Neeter past Lumme op baby Eliazer en zijn iets oudere zus Esther Marianne. Als het tijd is voor een voeding, lost ze mevrouw Neeter af en neemt haar plek achter de marktkraam in.
Na een jaar maakt Lumme de overstap naar de familie Van de Kar in de Nieuwe Amstelstraat. Een ander Urker dienstmeisje, Annigje Romkes, gaat bij de familie Neeter aan de slag.
Eliazer in Mauthausen
Als de Tweede Wereldoorlog uitbreekt, bestaat het gezin uit vijf leden. De vader is Joseph Emanuel (1893) en de moeder is Rijntje (1889). Er zijn drie kinderen: dochter Esther Marianne (1918), zoon Eliazer (1921) en zoon Maurits (1927). De familie heeft zich inmiddels gericht op de kledingbranche. Moeder Rijntje is lompennaaister, Esther Marianne borduurster en Eliazer perser.
In april 1942 doet Joseph bij de politie aangifte van vermissing van zijn zoon Eliazer. Mogelijk is het een poging om een onderduik van Eliazer te maskeren. Enkele maanden later wordt Eliazer opgepakt en naar Kamp Amersfoort gedeporteerd. Vanuit Amersfoort gaat hij naar Mauthausen, een Oostenrijks concentratiekamp voor strafgevallen.
Mauthausen heeft al vroeg in de oorlog een slechte naam in de Joodse gemeenschap. Al in 1941 werden Joodse mannen afgevoerd naar Mauthausen. Hun familie krijgt vaak al snel bericht van hun overlijden. Het boezemt angst in. Joden willen zich aan de anti-Joodse maatregelen houden om niet in Mauthausen terecht te komen.
De levensverwachting in Mauthausen is inderdaad bijzonder laag. Gevangenen moeten zware granietblokken sjouwen over een trap van 186 treden. Velen vallen door uitputting te pletter. Eliazer wordt op 5 september 1942 naar Mauthausen gedeporteerd. Hij overlijdt er op 14 oktober, officieel aan een longontsteking.
Het lot van de andere leden van de familie Neeter
Esther Marianne moet zich in juli 1942 melden. Op 15 juli brengen de nazi’s haar van Amsterdam naar Westerbork, twee dagen later wordt Esther gedeporteerd naar Auschwitz. Waarschijnlijk verricht ze daar nog enkele weken dwangarbeid. Haar sterfdatum wordt na de oorlog vastgesteld op 30 september 1942.
In 1943 moet vader Joseph zich melden voor kamp Vught. Via zijn registratiekaart ontstaat er een lange discussie over zijn naaimachine. Joseph staat er op dat hij zijn naaimachine mee mag nemen naar Vught. Uiteindelijk blijkt de machine nog het eigendom van de fa. Singer te zijn en blijft de naaimachine in Amsterdam.

Vader en moeder Neeter verblijven met hun minderjarige zoon Maurits een half jaar in Vught. In juni 1943 besluiten de nazi’s dat alle Joodse kinderen onder de zestien jaar uit Vught op transport moeten. Joseph, Rijntje en Maurits worden 11 juni 1943 vermoord in Sobibor.
Lees ook: Het lot van de familie Schiffmann tijdens de Holocaust
Uitgelichte afbeelding: Bundesarchiv Bild 192-269, KZ Mauthausen, Häftlinge im Steinbruch
Ontdek meer van A.J. Baarssen
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.