Drie van mijn vier overgrootmoeders dienden bij Joodse gezinnen in Amsterdam. De moeder van mijn opa, Johanna Elizabeth Hoogeveen, was in 1906 mijn eerste overgrootmoeder die in Amsterdam ging dienen. In 1909 diende ze tien maanden bij de Joodse familie Staal. Het verhaal van de familie Staal leidt naar Sobibor en Amerika.
Van maart 1909 tot december 1909 diende de 23-jarige Jo Hoogeveen in het Joodse gezin van Abraham Salomon Staal (1871) en zijn vrouw Betje Abigael Morpurgo (1877). De familie Staal kwam oorspronkelijk uit Duitsland en had zich in de 19e eeuw in Nederland gevestigd. De Morpurgo’s waren Portugese Joden die via Venetië (Italië) naar Amsterdam zijn verhuisd.
Abraham Staal en Betje Morpurgo waren getrouwd op 25 mei 1899 en kregen vier kinderen:
- Elisabeth (1900)
- Flora (1903)
- Salomon (1904)
- Joseph (1909)
Jo werkte vanaf maart 1909 bij de familie Staal. Die waren net verhuisd van de Jodenbreestraat naar de Weesperstraat 10. Kleine Joop (Joseph) was in januari geboren en lag nog in de wieg. Betje (Elisabeth), de oudste werd in de loop van het jaar 9. Floortje en Sally waren 6 en 5 jaar oud.

Staal was antiquair en had een bekende kunsthandel op het Rokin 154-156, waar de familie vanaf 1913 ook woonde. Hij was medeoprichter van de Vereeniging van Handelaren in Oude Kunst in Nederland (VHOK). Deze vereniging bestaat nog steeds: veel leden genieten enige bekendheid door het televisieprogramma Tussen Kunst en Kitsch.

In 1929 overleed Staal op 58-jarige leeftijd. Weduwe Betje Staal-Morpurgo nam de leiding over de antiekzaak over en runde deze tien jaar lang samen met haar zonen. Vlak voor de oorlog nam zoon Salomon de zaak over. Na de Duitse bezetting werd het leven voor Joden snel moeilijker: vanaf 1941 werden ze geweerd uit het bedrijfsleven. Kunsthandel Staal kwam onder toezicht te staan van de een Duitse Verwalter, Friedrich Hübner.
Betje Staal-Morpurgo in de oorlog
Betje Staal-Morpurgo verhuisde in 1937 van het Rokin naar de Apollolaan 55 in Amsterdam. Op 6 maart 1941 werd ze uitgeschreven uit het Amsterdamse bevolkingsregister. De weduwe vertrok naar Boslaan 5 in Ermelo. Een dag eerder was het gezin van haar oudste dochter ook naar Ermelo verhuisd.

Elisabeth Staal was inmiddels getrouwd met Levie Staal. Ze droegen dezelfde naam en waren in de verte ook familie. Levie en Elisabeth hadden bij het uitbreken van de oorlog drie kinderen: Abraham (1928), Betje (1930) en Jacob (1932). Hun oudste dochter Mary was in 1928 op bijna vierjarige leeftijd overleden.
Opmerkelijk is dat zowel Betje Staal-Morpurgo als het gezin van Levie en Elisabeth Staal op 17 april 1941 weer werden ingeschreven op hun oude adres in Amsterdam: Betje dus op Apollolaan 5 en het gezin Staal op Weteringschans 243. Waarschijnlijk was dit een administratieve handeling om de autoriteiten op een dwaalspoor te brengen. Levie en Elisabeth doken namelijk samen met hun drie kinderen en oma Betje onder in Ermelo.

22 maart 1943
Op 22 maart 1943 wordt rond kwart voor tien aangebeld bij het onderduikadres van de familie Staal. Naast het gezin en oma Betje zijn op dat moment de Nederlandse eigenaar van het huis (Frederik Keyzer), een andere Joodse onderduiker (Hugo Hirsch) en een niet-Joodse kennis (G.M.H.R. Meinlieff) aanwezig.
Eigenaar Keyzer opent de deur op een kier om tijd te winnen voor de onderduikers. Gelijk dringen echter drie mannen de woning binnen, terwijl ze ‘politie’ roepen. Voor NSB-burgemeester Klinkenberg uit Putten en zijn kompanen Jille Haaitsma en Dirk Zehnpfenning is het vervolgens niet moeilijk het gezin te arresteren.
Ze treffen Elisabeth, Levie en Hugo Hirsch in de woonkamer aan. Oma Betje heeft zich in de gangkast verstopt met haar twee jongste kleinkinderen, maar wordt ook snel gevonden. Haar oudste kleinzoon, Abraham van 15, ligt onder zijn bed, maar ook dat blijkt geen veilige schuilplaats. NSB’er Haaitsma gebiedt de jongen zijn handen in de nek te leggen en voor hem uit te lopen. Met ongelooflijk veel lef en gevaar voor eigen leven neemt de jonge Abraham echter de benen. De kogels van Haaitsma missen doel en de jongen verdwijnt in de donkere Ermelose bossen.
Afgevoerd
De arrestanten worden twee aan twee geboeid. Ze worden lopend naar het politiebureau in Putten gebracht. Drie dagen later, op 25 maart 1943, volgt al transport naar Westerbork. De trein stopt ook nog even op het station van Ermelo. Daar krijgt de familie Staal van dhr. Rook, postbeambte in Ermelo, het bericht dat Abraham in veiligheid is. Abraham zit op dat moment bij de familie Rook ondergedoken.
De familie verblijft slechts enkele dagen in Westerbork. Al op 30 maart 1943 worden ze gedeporteerd naar Sobibor. Daar worden Betje (65), Levie (42), Elisabeth (42), Betje (13) en Jacob (11) direct na aankomst op 2 april 1943 vermoord in de gaskamers. Het zijn 5 van de 1255 namen van transport 5 van 19 van Westerbork naar Sobibor. Niemand overleefde dit transport.
Na de oorlog
Abraham, die Aby genoemd werd, zat op diverse adressen in Ermelo en Apeldoorn ondergedoken. Hij moest nog een keer vluchten voor de Duitsers, waarna hij een hol in het bos groef en daar drie nachten verbleef. Na de oorlog vertrok hij naar Amerika, waar hij de naam Andy ging dragen.
De kunsthandel werd na de oorlog weer overgenomen door Salomon (Sally) Staal, die de oorlog overleefde. Inmiddels is op het Rokin 154-156 een hotel gevestigd met de toepasselijke naam Hotel des Arts.
Andy, de kleinzoon van Betje Staal-Morpurgo, trouwde in Amerika met Ursel Weinberg. Ze kregen twee kinderen: Lorri en Levi, en twaalf kleinkinderen. In 2016 kwam de familie Staal naar Nederland. Ze bezochten familie van Frederik Keyzer, die de familie Staal een onderduikadres had geboden. Ook spraken ze met de familie Rook die Abraham (Andy) na zijn ontsnapping verder had geholpen. Hun ervaringen en herinneringen legden ze vast op een mooiste website: The Family Staal.com
Via die website had ik contact met Lorri Staal, de dochter van Andy en achterkleindochter van Abraham Staal en Betje Staal-Morpurgo. Ik ben de achterkleinzoon van Johanna Elizabeth Hoogeveen, die korte tijd dienstbode bij het echtpaar Staal was. Van Lorri kreeg ik toestemming enkele foto’s van de website van de familie Staal te gebruiken, waarvoor ook hier mijn hartelijke dank.
Lorri schreef: ‘It is wonderful that the stories of our family and other Jewish families are being published and spread around the globe so that they will not be forgotten.’
Lees ook: Hoe Jo Hoogeveen in Amsterdam terecht kwam

Voor dit verhaal maakte ik gebruik van:
- Diverse kaarten uit het Bevolkingsregister van Amsterdam van het Stadsarchief Amsterdam
- Dit artikel van de Oudheidkundige Vereniging “Ermeloo”
Ontdek meer van A.J. Baarssen
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
Beste heer Baarssen,
Ik was verrast om het verhaal te lezen over de familie Staal aan het Rokin te Amsterdam.
De zuster van mijn grootvader, Krijna Huis, heeft gediend bij de familie Staal van 28 december 1920 tot en met 10 januari 1923. Ze had het dan ook over jonkvrouw Roell, die aan de antiekzaak verbonden was.
Weet u daar iets over te vertellen ?
Daarna heeft Krijna nog gediend bij de joodse families van Willem Frenk en Mauritz Davidson aan het Sarphatiparkte te Amsterdam.
Vriendelijke groet,
Jan Huis.
LikeLike