Mijn opa Jan Baarssen werd op 13 december 1924 geboren op Urk. Hij was van de generatie die nog alles had meegemaakt: de oorlog, dat Urk nog een eiland was, dat het IJsselmeer nog Zuiderzee was. Hij kwam uit een geslacht van vissers, dat sinds mensenheugenis op Urk had gewoond. Mijn opa werd echter timmerman. Waarom werd hij eigenlijk geen visserman?
Over een redelijk onbezorgde jeugd, een spannend avontuur en het verlies van een bèbe
In 1918 werd het besluit genomen om de Zuiderzee af te sluiten. De regering voorzag dat de afsluiting voor grote veranderingen zou zorgen in de werkgelegenheid in de steden en dorpen rond de Zuiderzee. Daarom werd de Zuiderzeesteunwet aangenomen. Iedereen die in 1918 hoofdzakelijk van de Zuiderzee afhankelijk was voor zijn inkomen, kon van de regelingen die bij deze wet hoorden gebruik maken.
Voor de Urker vissers kwam de Zuiderzeesteunwet grofweg op drie mogelijkheden neer: het aanvragen van krediet voor een Noordzeekotter, het aanvragen van financiële steun bij tegenvallende inkomsten en de financiering van opleidingen voor hun kinderen.
Betekenis Zuiderzeesteunwet
De grootvader van mijn opa, Jan Baarssen (1865-1932) was de eerste in de familie die beroep deed op de Zuiderzeesteunwet. Eind jaren ’20 probeerde hij een krediet te krijgen om een grotere kotter te kopen. Jan was na het overlijden van zijn vrouw ingetrokken bij zijn dochter Annetje op Wijk 6-88. Met het krediet wilde hij een kotter kopen voor de man van Annetje, zijn schoonzoon die ook Jan Baarssen heette.
Met de verdiensten van de UK 117, het schip van bèbe Jan Baarssen, ging het namelijk niet goed. In 1929 was er geen vissersknecht meer te vinden die mee wilde op de 117. De schipper schatte de waarde van zijn schuit op 1000 gulden en deed aanvragen om kotters te kopen tussen de 5000 en 8000 gulden. De UK 117 moet dus een klein en ouderwets scheepje geweest zijn. In 1930 verkocht Jan het schip aan Hessel Snoek en Jochem Woord. Alle aanvragen voor de aanschaf van een nieuwe (Noord-)zeewaardige kotter werden afgewezen.
Schoolervaringen van Opa
Terwijl z’n bèbe zich bekommerde om de toekomst van zijn visserijbedrijf, ging m’n opa naar school. Op de oude Wilhelminaschool zat hij aan de kant van meester Heetebrij. Als er tenminste school was, want ook toen kampten scholen met lerarentekorten. Regelmatig had mijn opa vrij of stond er een onervaren kwekeling (stagiair/LIO) voor de klas. Tussen de lokalen waren deuren, zodat soms één meester de regie kon voeren over twee klassen.

Op zesjarige leeftijd beleefde mijn opa met een van zijn zussen een spannend avontuur. Urk was begin jaren 1930 uiteraard nog een eiland en de Zuiderzee kende nog eb en vloed. Het eiland leek op een dikke kikkervis met een zanderige staart. Op die staart, die toepasselijk de Start heette, lagen bij laag water de zeehonden te zonnen. Opa wilde met zijn zus die ‘robbetjes’ wel eens bekijken, maar lette niet goed op de opkomende vloed. Uiteindelijk wisten ze ternauwernood het strand weer te bereiken, waarbij het water ver boven hun middel stond.

Soms ging mijn opa met zijn moeder op vakantie naar opoe Hoogeveen in Amsterdam. De weduwe Willemina Hoogeveen-Beens woonde aan de Marnixkade in een woning op de eerste verdieping. In de gracht voor het huis lagen schepen. Op mooie dagen ging mijn opa mee met het scheepje van ome Johannes Hoogeveen, de jongste broer van moeder Jo. Ome Johannes woonde aan het water in Baambrugge, vlak onder Amsterdam. Een dagtocht van Amsterdam naar Baambrugge en weer terug was voor mijn opa uiteraard een hele belevenis.

Het einde van de Zuiderzee
Bèbe Jan Baarssen zat sinds de verkoop van zijn bottertje in 1930 zonder inkomsten. Hij werd aangemerkt als belanghebbende in de zin van de Zuiderzeesteunwet en kreeg 3 gulden per week om zich in zijn levensonderhoud te voorzien. Inmiddels was bij de oude visser kanker geconstateerd. Hij werd bedlegerig en had veel verzorging nodig. Ondanks een aanvraag voor extra geld, ondersteund door burgemeester Gravestein, werd de bijdrage niet verhoogd. Op 10 juni 1932 overleed bèbe Jan Baarssen in de leeftijd van 67 jaar. Mijn opa was toen 7 jaar.
In hetzelfde jaar werd de Afsluitdijk gesloten. Zuiderzee werd IJsselmeer. Zout werd zoet en daarmee verdwenen ook de ‘robbetjes’ die mijn opa graag bekeek. Dat was vast een opluchting voor zijn moeder. De afsluiting van de Zuiderzee betekende wel dat er een arme periode voor het gezin zou volgen.
Lees ook: Waarom mijn opa geen visserman werd – deel 3
Ontdek meer van A.J. Baarssen
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.