‘Wat vindt u nu eigenlijk zo leuk aan geschiedenis?’ Leerlingen kunnen de vraag zomaar stellen. Het antwoord is niet moeilijk: ik vind de verhalen mooi, ik begrijp de wereld er een beetje beter door èn ik ben geïnteresseerd in hoe mensen denken en reageren in bepaalde omstandigheden.
Maar hoe ontstaat zo’n interesse, en waarom heb ik die wel en andere mensen niet? Een deel van het antwoord schuilt in mijn eigen verleden.
Opgroeien tussen de boeken
Ik groeide op tussen de geschiedenisboeken. Mijn vader had uit interesse op hbo-niveau geschiedenis gestudeerd. Op zolder was een kamertje met een boekenwand. Zo snel ik kon lezen, neusde ik graag in de boeken. Ik kon al snel een oude methode voor de lagere school, Eeuw in, Eeuw uit, zelf lezen. De verhalen over Germaanse jongens op jacht naar everzwijnen verslond ik.
Later, ik zal een jaar of negen geweest zijn, las ik Toen en Nu van W.G. van de Hulst. Ik begreep Vasco da Gama, als hij jammerde dat de wereldkaart niet compleet was. Natuurlijk ga je dan op ontdekkingsreis om het uit te zoeken en af te maken. Ik hoorde Maarten Luther zingen in de koude straten om als schooljongen wat geld te verdienen en ik voelde hoe warm het werd als hij bij iemand thuis geroepen werd. Stil keek ik om het hoekje bij de Zonnekoning om te kijken of hij al wakker werd. Wie zou vandaag zijn sokken aan mogen trekken? Ik leefde me in in de verhalen die, en dat vond ik belangrijk, echt gebeurd waren.
Op schoolreisje
In groep 4 gingen we met schoolreisje naar het Muiderslot (en de Linnaeushof). We kregen een rondleiding waar ik me nog veel van herinner. Het meest levendig herinner ik me een verhaal over een schilderij. Op het Muiderslot kon je een nieuw hoofd krijgen. Je hoofd werd er afgehakt en in afwachting van een nieuw hoofd werd er voorlopig een kool op je hoofd gezet. Ik herinner me ook de houten banken voor het vuur, waarvan je de rugleuning kon kantelen om ook met je rug naar het vuur te kunnen zitten. De ridderharnassen stonden opgesteld in een grote zaal. Ergens in een toren werd ooit Floris V gevangen gehouden. Ik kocht in de museumshop een riddertje van plastic en een mapje foto’s, die ik helaas in de loop der jaren beide kwijt ben geraakt. In het Muiderslot kon je ‘vroeger’ aanraken en beleven.
Soldaten, en alles wat daarbij hoort
Van onze neven leerden mijn broertje en ik met soldaatjes te spelen. Mijn neven hadden ook een zolder. Daar kon je je plastic speelgoedsoldaatjes opstellen, verstopt achter houten blokken, of de (eveneens) plastic tanks en jeeps. Een blok of een grote knikker was de bom. Daarmee probeerde je de soldaatjes van je tegenstander omver te gooien. Wiens soldaatjes als eerste allemaal ‘dood’ waren, had verloren.
Van ons zakgeld kochten we zelf soldaatjes in verschillende kleuren: Amerikanen en Duitsers. Ik was de Amerikanen, mijn broertje moest altijd de Duitsers zijn. We vochten op onze eigen zolder complete veldslagen uit. De stap van speelgoedsoldaatjes met tanks en jeeps naar modelbouw was niet zo groot. Wederom geïnspireerd door onze neven maakten we vooral modelvliegtuigen: echte Stuka’s en de Messerschmitt BF 109. Het nabouwen van een invasiestrand, D-Day was dé historische gebeurtenis bij uitstek, was een logische volgende stap.
Op school lazen we intussen klassikaal Reis door de nacht, van Anne de Vries. Als de invaljuf kwam, pakten we het boek vast uit ons vak. ’s Middags was het immers steevast overpennen geblazen. De boekenkast thuis èn de bieb bleken een onuitputtelijke bron van boeken over de Tweede Wereldoorlog: Holland onder het Hakenkruis van Piet Prins, Frontale botsing van Rik Valkenburg, Het hol op de hei van G. van Essen.
Door te spelen en te lezen werd geschiedenis een volstrekt normaal en leuk onderdeel van mijn leven. (Naast dat ik gewoon bijna elke dag voetbalde en lange zomers buiten speelde)
Mijn (over-)grootouders
Achteraf bezien hebben ook mijn (over-)grootouders op hun eigen manier bijgedragen aan mijn interesse in het verleden.
Mijn bèbe (grootvader) Albert Koffeman vertelde vaak en graag over vroeger. Meestal ging het over hoe het er in de kerk aan toeging. Soms vertelde hij verhalen uit de familie. Over Friese Boutjen die zou erven, maar geen erfenis kreeg. Jaartallen hadden op zijn praatstoel een morele betekenis. ‘Je bent van 1834’ betekende niet alleen letterlijk: ‘Je hoort bij een kerk van de Afscheiding’. Het betekende ook dat je bepaald gedrag wel of niet vertoonde.
Mijn bes (grootmoeder) Alie Anker was nog opgegroeid in een een huisje met bedstedes (waarover later meer). Op vakantie ging ze graag naar museumboerderijen. In mijn verbeelding zei ze dan: ‘Kiek ers oe ouwerwes’. Ouderwets betekende dan dat het mooi was, gezellig en knus.
Opa Jan Baarssen gaf me als kind het boek Veilig in gevaar van Jac. Hoefnagel te lezen. Het boek gaat over vier jongens die opgepakt worden bij een razzia in 1944, in Duitsland moeten werken, ontsnappen, en lopend terugkeren naar Urk. Een van die jongens was mijn opa. Tot op zeer hoge leeftijd stimuleerde hij me op zijn eigen ingetogen manier me met deze geschiedenis bezig te houden.
Beppe (grootmoeder) Grietje de Wit was de wandelende genealoog. Elk familieverband op Urk wist ze nauwkeurig te beschrijven. Nu in het verzorgingshuis wordt dat iets minder. Toch vroeg ze me recent nog haar plakboeken terug te geven. Hierin verzamelde ze krantenknipsels over vroeger en werd elk artikel over haar nazaten bewaard.
Zo waren mijn grootouders elk op hun eigen manier met het verleden bezig en gaven dat aan me door.
Het geschiedenishuisje
Ik heb slechts één van mijn overgrootouders zelf gekend: de moeder van mijn bes Alie Anker. Lummetje Anker-Bos, of bessien Lumme, woonde in het Oude Dorp van Urk. Ik kwam er als kind zeker drie keer per week. Haar huisje was een soort tijdmachine. Je stapte letterlijk het verleden binnen. De geuren, de bedstedes, de kachels, de stenen waterbak op de achterstraat: alles ademde een andere tijd.

Vaak zat bessien Lumme, nog in Urker klederdracht, aan tafel te naaien met haar handaangedreven Singer-naaimachine. Ze was haar tijd ver vooruit door alleen koffie te drinken van versgemalen bonen. Lees: ze was een van de laatsten die moedig standhield en koffiebonen bleef malen toen heel Urk Douwe Egberts filterkoffie dronk.
Je moest altijd wat doen als je er was. Zaten we binnen, dan moest ik spelden van de grond opzoeken die ze zelf niet meer kon oprapen. Buiten kreeg ik een mesje om het onkruid tussen de tegels weg te halen.
Op de vloerbedekking, waar ik regelmatig dus rond kroop, tekenden zich altijd zilveren draadjes af. Dat kwam door de slakken, zei m’n moeder. Slakken die alleen ’s nachts hun mooie werk deden. Ik brak me daar het hoofd over. Hoe die slakken er voor zorgden dat niemand ze zag. Of ze wisten wanneer het licht werd. En waarom die slakken de wereld wilden versieren met hun zilveren draden.
Vragen stellen aan de wereld, hoe het zo is gekomen: dat is precies geschiedenis. Die interesse is ergens vandaan gekomen, je ziet de zilveren draden door mijn leven lopen. Het komt door mijn vader, door een schoolreisje, door spelen met mijn neefjes, door boeken en door mijn familie. Geschiedenis hoort bij mij, zoals slakken zilveren sporen achterlaten in oude huisjes.
Lees ook over: hoe ik deze interesses nu inzet als historicus en docent in het voortgezet onderwijs
Ontdek meer van A.J. Baarssen
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.